O rumor dos passos

Op zondag 27 oktober 2013 vond in Lissabon een hommage plaats aan Portugals grootste schrijver António Lobo Antunes. Hier mijn bijdrage.

Domingo, dia 27 de outubro de 2013, teve lugar no Centro Cultural de Belém uma cerimónia de homenagem ao grande escritor português António Lobo Antunes. Eis o meu contributo.

 

In het Nederlands:

O RUMOR DOS PASSOS

O rumor dos passos?!, hoor ik u denken? Merkwaardig. Dat zeg je toch niet? Voetstappen klinken hol, klinken hard, voetstappen dreunen, voetstappen echoën na, voetstappen galmen. Maar ritselen, ruisen, roezemoesen? Dat doen bladeren, dat doen de regen en de zee, dat doen stemmen. En toch. Misschien is rumor wel precies het goede woord bij de boeken van António Lobo Antunes. Want bij hem maken de voetstappen niet alleen geluid, ze zeggen iets: ze fluisteren, schreeuwen, verraden, aarzelen. Ze geven een geestesgesteldheid of gemoedstoestand weer, niet alleen van degene die de stappen zet, maar ook van degene die ze hoort. En ze zeggen dus ook iets over de relatie tussen de twee. Anders uitgedrukt: voetstappen zijn woorden, want ze hebben een inhoud, ze hebben een boodschap. Of het nu gaat om het opklinken van de naaldhakken van de minnares uit Manual dos inquisidores, of de hoge hakken van de moeder in haar jonge jaren, of de schuifelende stappen van oude tantes op hun ruime etages met krakende vloeren in Lissabon, die hoge statige huizen naast Parque Eduardo vii, de radde voetstappen van spelende kinderen, de dreunende laarzen van de soldaten in Fado Alexandrino, of de onrustige, opgejaagde voetstappen van de psychiatrische patiënten uit Conhecimento do Inferno.

Dat laatste voert me terug naar de herfst van 1985, toen Ana en ik net verhuisd waren naar Lissabon, naar een flat in Alto Santo Amaro. In de Rua Gil Vicente, tegenover een klein parkje. Vanuit die flat zag ik niet alleen de Russische cruiseschepen voorbijglijden over de Taag, maar ook, aan de overkant in het parkje, patiënten uit een nabijgelegen afdeling van Hospital Miguel Bombarda ronddrentelen. Drie van die ‘gekken’ hadden elk een bijzondere manier van lopen: eentje, die met een deken om zich heen gedrapeerd − het was oktober en er waren verkiezingen − oreerde als een Romeinse consul en allerlei leuzen en verkiezingsbeloften door elkaar husselde, schreed statig tussen de perkjes door; de tweede, lang en tandeloos, stak elke passant brutaal twee vingers met een denkbeeldige sigaret toe om aan te geven dat hij een sigaret wilde, of nee, eiste − daar had hij recht op; en de derde man, klein, bebophaar, liep aan een van de zijkanten van het ietwat oplopende park tien stappen omhoog, stopte dan bruusk, alsof hij tegen een wand botste, draaide zich om en keerde terug. Tot hij opnieuw gestuit werd door een niet-bestaande muur. En dat herhaalde zich onafgebroken, alsof hij gevangen zat in een glazen kooi. Toen ik dat zag, kende ik het werk van Lobo Antunes nog niet. Ik sprak nauwelijks een woord Portugees, moest de taal nog leren. Dat zou in de tijd daarna gebeuren en geleidelijk aan zou ik ontdekken dat wat ik daar na mijn aankomst in de mooiste stad van de wereld dag in dag uit voorgeschoteld kreeg, een van de werelden van de schrijver was. De wereld van malende, verknipte, op een of andere manier in de knoop geraakte mensen met hun schichtige, overtuigde of dwingende voetstappen, die boodschappen afgeven voor wie ze wil zien, wie ze wil lezen.

Maar dat wist ik tijdens die zonnige herfstdagen van oktober 1985 nog niet. Ik moest eerst Portugees leren, en dat deed ik onder andere door te vertalen, mijn beroep, want ik vertaalde uit het Duits en het Engels in het Nederlands. Vertalen is de beste manier om je een boek toe te eigenen. Je moet dicht op de huid van het boek zitten, of liever, je moet er volledig in kruipen. Op mijn speurtochten naar boeken was er een dat me bijzonder intrigeerde. Op het omslag was een helm met een schoppenvier te zien en dat beeld, samen met de mysterieuze titel Fado Alexandrino, wekte mijn nieuwsgierigheid. Een dikke pil, maar als je terugschrikt voor de omvang moet je niet gaan vertalen. Ik wilde die roman lezen, kúnnen lezen, en ik heb me erop gestort. Natuurlijk waren er tegelijkertijd ook andere manieren om de taal machtig te worden, maar de literatuur heeft daar voor mij van meet af aan een grote betekenis bij gehad. En, belangrijker nog, ik heb er de liefde voor het werk van de grootste moderne Portugese schrijver aan te danken.

‘Slepend met zijn koffer liep hij te midden van zijn maten het verveloze gebouw van de kazerne uit, en hij ontwaarde onmiddellijk op het trottoir aan de andere kant van het traliehek een soort zeemonster van gezichten, lijven en handen dat onrustig op hen stond te wachten in de grijze maartse middag van Encarnação, waar verkeerslichten als fruit van licht lukraak ronddreven in de mist. Een onzichtbaar vliegtuig floot boven de wolken. Een peloton cadetten rende bijna vlak langs hen heen, het grind van het exercitieterrein kauwend met de kaken van hun enorme laarzen.’

Met dit geluids- en filmbeeld, opgeroepen door een dienstplichtig soldaat, opent deze magistrale roman, die ik het liefst onmiddellijk had vertaald. Ik zou nog twintig jaar geduld moeten hebben. Literatuur vertalen betekent leuren met boeken. Je moet schrijvers onder de aandacht brengen van uitgevers, hen enthousiast maken. Voorwaar geen geringe opgave! Zeker niet in een land dat zo sterk gericht is op de Engelstalige literatuur − de bekrompenheid kent geen grenzen. Om mezelf van munitie te voorzien in deze oorlog benaderde ik António Lobo Antunes en we ontmoetten elkaar voor het eerst in 1986, in de prachtige tuin van het Museu de Arte Antiga. António moet vreemd opgekeken hebben van die rare Nederlander die hem in hakkelend Portugees allerlei vragen stelde. Desondanks (en gelukkig!) werd het het begin van een lange vriendschap. Ondanks mijn bombardement van Nederlandse uitgeverijen kon ik echter pas in 1991 eindelijk Os Cus de Judas vertalen, maar door het overlijden van de uitgever stokte het weer en werd het opnieuw vijf jaar stil. In 1996 volgde, bij zijn huidige uitgever Anthos, O Manual dos Inquisidores en sindsdien heb ik nog negen titels vertaald (waren het er maar meer: ik benijd mijn Duitse collega die alles heeft vertaald) en hebben we samen dikwijls opgetreden voor publiek in Nederland en België.

Tijdens een van die optredens, in Brussel, zei de schrijver: ‘Je moet met je ogen luisteren naar de woorden die je leest.’ Een zin die bijna een verre echo is van Gertrude Stein, die ooit schreef dat iemands woorden geluid maakten voor de ogen, want als dat voor iemand geldt, dan is het wel Lobo Antunes. Je hoort de stemmen gewoon opklinken als je alleen maar langs zijn boeken loopt. Bijvoorbeeld de vier stemmen − of vijf, als je de capitão meetelt − uit Fado Alexandrino, die hun vaak bittere relaas doen. Met als magnifiek contrapunt de oude huishoudster uit het voorlaatste hoofdstuk die vrouwelijke herinnering inbrengt tegen het mannelijke omzien in wrok en woede.

Maar zijn die stemmen uiteindelijk niet maar één stem? De stem van die ene man die die ene barbaarse ervaring heeft gehad, die beroofd is van een paar jaar van zijn leven, die heeft moeten verwerken wat moeilijk verwerkt kan worden, in wiens geheugen gruwelen en misdaden opgeslagen liggen, maar ook beelden van schoonheid en pracht, van vriendschap, van liefde, van teleurstelling en van wrok, van onvermogen en onmacht. Het geheugen, ja, want ook en misschien wel vooral daarover gaat Fado alexandrino en uiteindelijk elk boek van Lobo Antunes. En het is indrukwekkend hoe je als lezer bij elke roman die wordt toegevoegd aan de reeks, die aan de ketting van het oeuvre wordt geregen, hoe je steeds weer een ander beeld krijgt van in feite steeds hetzelfde geheugen: het geheugen van de auteur. Ook al is dat natuurlijk niet controleerbaar, niet verifieerbaar, ook al kun je alleen maar lijnen zien en verbanden ontdekken, toch is dat mijns inziens de grote kracht van dit oeuvre, dat gelukkig nog steeds niet af is, want er blijven romans volgen. En crónicas, die vaak romans in een notendop zijn. Of uitleggen hoe zijn romans ontstaan.

‘Wat kunnen mij personages, voorvallen en verhalen schelen, dat is iets voor schrijvers van romans en ik schijt op romans, ik wil een draad die mij naar de kern van het leven leidt, en alles naar boven halen wat daar bestaat, ik wil het hart van de wereld, ik wil geen amusement bieden aan degenen die mij kopen, ik wil hen niet vermaken en ik wil mezelf niet vermaken, ik wil wat er diep in het binnenste leeft, waar de mensen zitten en wij met hen, wil in letters gieten wat geen enkele letter bevat, ik wil lichte voetstappen volgen in een gang waarvan ik niet weet waar hij ligt, of eigenlijk niet zozeer lichte voetstappen, de echo van lichte voetstappen, die lichte voetstappen zullen worden als ik ermee doorga, die vlees en ogen krijgen en mij meevoeren, ik wil ermee ademen, ik wil dat wij bij elkaar blijven, ik wil dat de lichte voetstappen mijn voetstappen worden en de gang mijn gang, dat het vlees en de ogen mijn vlees en mijn ogen worden.’

Woorden uit de crónica ‘A melhor maneira é a única boa’. Daar ligt waarschijnlijk de sleutel van Lobo Antunes’ grote schrijverschap. Door te luisteren kan hij mensen typeren, hun tekorten laten zien. Hun encontros, ‘ontmoetingen’, en, misschien wel vooral, desencontros, ‘mislopen’, zoals op de foto hierachter. Heel uiteenlopende mensen, die worstelen met dingen die voor iedereen herkenbaar, invoelbaar zijn, en daardoor iets duidelijk maken van datgene wat in ons allemaal schuilgaat, soms warrig, soms helder, soms half verdrongen, soms tegenstribbelend, soms gewillig. Een continu stemgedruis, een innerlijk ruisen van woorden, van herinneringen, van gevoelens.

In zijn nieuwe roman, Caminho como uma casa em chamas, die volgend jaar verschijnt, tot mijn grote vreugde eerst in Nederland en pas daarna in Portugal, wordt het innerlijk stemgedruis begeleid en geleid door de voetstappen op de trappen van het huis waarin de personages wonen, die beurtelings over hun leven vertellen, waar ze vandaan komen, waarom ze zijn wat ze zijn. Ze wonen dicht op elkaar, hebben met elkaar te maken, niet veel, maar ze zijn, gewild of ongewild, met elkaar verbonden. Ze luisteren naar elkaars voetstappen (in het echt maar ook in hun hoofd: ‘oiço os passos do indivíduo de risca ao meio no saibro do parque’ luidt het ergens: ‘ik hoor de voetstappen van de man met een scheiding midden op zijn hoofd in het grind van het park’), ze geven daar commentaar op, en die voetstappen zijn het die als een deur werken, als een venster. En tevens de ondersteunende muziek op de achtergrond vormen, net zoals de ritselende struiken in Que cavalos são aqueles que fazem sombra no mar? of de ruisende regen in Galicië uit Exortação aos crocodilos. De voetstappen leiden de gedachten van de bewoners, die zich niet begrepen voelen en die de ander niet kunnen begrijpen, en juist door het vertekende geluid ervan bieden ze misschien wel een beter inzicht in de aard van die anderen. En van henzelf. Ook al beseffen en weten ze het niet. Het is het soort verwringing dat Bacon en Soutine toepassen in de schilderkunst: weg van het realisme en dichter bij de kern.

Wat allemaal niet wil zeggen dat Lobo Antunes een loodzwaar auteur is, want zijn boeken zitten boordevol humor, van subtiele komische misverstanden tot regelrechte slapstick, en er is geen ander die zo raak mensen kan typeren en kan onderscheiden aan de hand van hun taalgebruik (ook weer geluid!). Wat zijn romans tot een voortdurend genot en tegelijk een verschrikking en een verrijking maakt voor de lezer die zijn oren openzet om naar het geroezemoes, naar het rumor dos passos te luisteren.

 

Em português:

 

O RUMOR DOS PASSOS

HARRIE LEMMENS

 

O título que escolhi para a minha homenagem foi “O rumor dos passos”? O rumor? Oiço-vos perguntar. Estranho. Não é isso que se diz normalmente de passos. Os passos soam a oco, martelam no chão, fazem chiar o soalho, ressoam, ecoam. Mas restolhar, rumorejar, marulhar, sussurrar? Isso fazem as folhas, a chuva e o mar, as vozes. E no entanto. Rumor talvez seja afinal a palavra mais adequada para os livros de Lobo Antunes. Porque com ele os passos não fazem apenas ruído, dizem-nos algo: sussurram, gritam, traem, hesitam. Exprimem o estado de espírito, não só de quem os dá, mas também de quem os ouve. E dizem também algo sobre a relação entre as duas partes. Dito doutro modo, passos são palavras porque têm um conteúdo, uma mensagem. Quer se trate do toque-toque dos saltos altos da amante do Manual dos Inquisidores ou da mãe do narrador na sua juventude, dos passos arrastados das tias velhas nas tábuas do soalho dos prédios monumentais que ladeiam o Parque Eduado VII, dos passos miúdos e nervosos das crianças a brincar, do som ribombante das botas dos soldados no Fado Alexandrino ou dos passos inquietos e acossados dos doentes psiquiátricos do Conhecimento do Inferno.

Tudo isto me projeta para o passado, para o outono de 1985, quando eu e a Ana tínhamos acabado de chegar a Lisboa e nos tínhamos instalado na Rua Gil Vicente, num andar com vista para o rio e para o pequeno jardim público do Alto de Santo Amaro. Da janela via não só os paquetes russos e os porta-aviões americanos a deslizar pelo Tejo, mas também, do outro lado, no jardim, o deambular dos doentes de um departamento do Hospital Miguel Bombarda que ficava lá perto. Dentre esses “malucos” havia três que me chamavam a atenção, pela sua maneira de andar totalmente diferente: o primeiro, que aparecia sempre embrulhado numa manta, discursando como um cônsul romano e mastigando pelo meio (era na véspera das eleições) slogans e promessas eleitorais, caminhava com passadas solenes por entre os canteiros; o segundo era alto, desdentado e tinha o costume de esticar atrevidamente dois dedos em frente do nariz de quem passava pedindo, ou melhor, exigindo um cigarro, como se fosse seu direito natural; o terceiro, por fim, baixinho, com a cabeça rapada, subia o passeio um tanto inclinado de um dos lados do jardim com dez passadas exatas, a certa altura parava bruscamente, como se batesse contra uma parede, girava sobre os calcanhares e voltava para trás, até bater de novo numa parede imaginária. E repetia até ao infinito esse movimento de um lado para o outro, como se estivesse preso numa jaula de vidro.

Nessa época ainda não conhecia a obra de Lobo Antunes, sabia só meia dúzia de palavras em português.  Só mais tarde, quando já dominava a língua, vim a descobrir que aquilo que desfilava diante dos meus olhos era parte de um dos mundos descritos pelo escritor aqui presente. O mundo dos maníacos, doidos, dos que por qualquer motivo perderam o norte na sua vida, cujos passos reticentes, seguros ou compulsivos eram uma forma de transmitir a sua mensagem a quem a quisesse ver, a quisesse ler.

Mas isso eu não sabia ainda nesses dias solarengos do outono de 1985. Antes de mais tinha que aprender português e fi-lo, principalmente,  traduzindo, porque acho que traduzir é a melhor maneira de alguém se apropriar de um livro. É preciso tocar na pele das palavras, entrar-lhes na carne até mergulhar completamente no mundo criado pelo escritor para recriá-lo. Nas minhas andanças pelas livrarias em busca de livros interessantes dei com um que me intrigou especialmente logo que peguei nele. Na capa havia um capacete com um quatro de espadas e essa imagem e o seu título misterioso despertaram-me logo a curiosidade: era o Fado Alexandrino. Um livro grosso, mas um tradutor que se deixa intimidar pela grossura de um livro, é melhor abandonar logo a sua profissão. Queria ler esse romance a toda a força no original e lancei-me na aventura. É claro que recorri a outros métodos para me apropriar da língua, mas a literatura teve para mim logo desde o início um papel essencial. E, o que é mais importante, graças à minha persistência ganhei a admiração que sinto até hoje pela obra do maior escritor português dos nossos tempos.

Saiu a arrastar a mala, misturado com os colegas, do edifício desbotado do quartel, e distinguiu logo, do outro lado das grades, no passeio, uma espécie de monstro marinho de caras, de corpos e de mãos, que se agitava, aguardando-os, no meio-dia cinzento da Encarnação, em que os semáfaros boiavam ao acaso, suspensos da neblina como frutos de luz. Qualquer avião invisível assobiava por cima das nuvens. Um pelotão de cadetes passou a correr, quase junto a eles, mastigando o cascalho da parada com as mandíbulas das botas enormes.

É com esta imagem auditiva e visual, fílmica, evocada por um soldado, que abre este romance magistral, que, por mim, teria começado a traduzir imediatamente. Mas tive de esperar vinte anos até atingir o meu objetivo. Traduzir literatura é também chamar a atenção para novos livros e novos autores. O tradutor tem de convencer e entusiasmar os editores a publicarem escritores que merecem ser publicados. Aliás, uma tarefa nada fácil! Tinha de arranjar munição para vencer essa guerra. Em 1986, contactei o Lobo Antunes e ele acedeu logo a encontrar-se comigo. O nosso primeiro encontro foi no belo jardim do Museu de Arte Antiga. O António deve ter ficado desconfiado perante esse holandês esquisito que desatou a fazer-lhe todo o tipo de perguntas ainda num português titubeante. Esse foi apesar de tudo (e digo agora felizmente!) o início de uma longa amizade. Mas, não obstante todos os meus ataques estratégicos às editoras holandesas, só em 1991 é que consegui finalmente traduzir Os cus de Judas. Estavam projetadas outras traduções, mas, com a morte do editor, o projeto ficou suspenso. Em 1996 saiu numa outra editora O Manual dos Inquisidores e, desde então, traduzi nove livros (bem teria gostado que fossem mais, invejo a minha colega alemã que traduziu tudo). Nos últimos anos têm sido várias as sessões literárias em que ambos participámos, tanto na Holanda como na Bélgica.

Numa dessas sessões, em Bruxelas, o escritor disse: “É preciso ouvir com os olhos as palavras que se lê”. Uma frase que é um eco distante de Gertrud Stein, quando defende que um escritor deve escrever de tal forma que as suas palavras fazem ruído para os olhos. E se isto se aplica a alguém, é ao Lobo Antunes. Basta, por assim dizer, passar por perto dos livros para escutar as vozes que vivem dentro deles. Por exemplo, as quatro vozes – ou cinco, se se contar com o capitão – do Fado Alexandrino que narram cada uma delas uma história por vezes bem amarga. O contraponto surge no penúltimo capítulo com a magnífica entrada em cena da velha governanta que contrapõe as suas recordações femininas a um olhar para trás masculino, cheio de rancor e de raiva.

Mas todas essas vozes não serão afinal uma única voz? A voz de um homem que passou por uma experiência de barbárie como é a da guerra, a quem roubaram os melhores anos da sua vida, que teve de procurar esquecer aquilo que dificilmente se esquece, cuja memória guarda cenas de horror e de chacina, mas também imagens de beleza e esplendor, de amizade, de amor, de desânimo e de ressentimento, de frustração e de impotência. Sim, é sobretudo da memória que trata o Fado Alexandrino e, afinal, todos os livros de Lobo Antunes. E é impressionante como o leitor em cada romance que se junta como mais um elo à cadeia infindável da sua obra, como o leitor tem a perceção de uma nova imagem que, na realidade, parte sempre de uma mesma memória: a memória do autor. Embora tal seja naturalmente impossível de controlar, de verificar, embora se vislumbre apenas fios da história que tecem a sua trama, é esta na minha opinião a grande força da obra do mestre, que felizmente ainda não está terminada, porque se seguirão ainda muitos outros romances, estou certo disso.

 

Quero lá saber de personagens, episódios, histórias, isso é para quem faz romances e eu cago nos romances, quero um fio que me conduza ao centro da vida e trazer ao de cima tudo o que existe lá dentro, quero o coração do mundo, não quero entreter os que compram, não quero diverti-los, não quero divertir-me, quero o que mora no interior do interior, onde estão as pessoas e a gente com elas, transformar em letras o que não tem letra nenhuma, quero seguir um passinho leve num corredor que não sei onde fica, não bem um passinho, o eco de um passinho que há-de tornar-se passinho se eu continuar com ele, que há-de ganhar carne e olhos e levar-me consigo, quero respirar com ele, quero que fiquemos juntos, quero que o passinho seja o meu passinho e o corredor o meu corredor, que a carne e os olhos se tornem a minha carne e os meus olhos.

 

São palavras da crónica A melhor maneira é a única boa. É aí que se encontra porventura a chave da portentosa escrita de Lobo Antunes. É escutando as pessoas que consegue tipificá-las, mostrar as suas fraquezas. Através dos seus encontros e, talvez ainda mais, desencontros, tal como sugere a fotografia aqui atrás. Descrevendo pessoas, ou personagens, muito diversas confrontadas com problemas que todos nós reconhecemos, identificamos como nossos, e tornando, desse modo, mais visível aquilo que se esconde em todos nós, umas vezes confusamente, outras vezes com toda a nitidez, outras mal reprimido, outras renitente e outras ainda com fatalismo. Um sussurrar contínuo de vozes, um sussurrar de palavras, de recordações, de sentimentos.

No seu novo romance Caminho como uma casa em chamas, que sai no próximo ano, e o que para mim é fantástico, na Holanda um mês antes de Portugal, o sussurrar de vozes interiores é acompanhado e dirigido pelo rumor dos passos nas escadas do prédio habitado pelas personagens que narram, à vez, episódios da sua vida, de onde vêm, porque são aquilo que são. Vivem muito perto uns dos outros, têm que ver e conviver uns com os outros e estão ligados uns aos outros, quer queiram quer não. Escutam os passos dos vizinhos (na realidade, mas também dentro da sua cabeça: ‘’Oiço os passos do indivíduo de risca ao meio no saibro do parque” (num certo trecho) , fazem comentários a esse respeito. Os passos funcionam para os moradores como uma porta, uma janela.  São uma espécie de música de fundo, tal como o restolhar dos arbustos no romance Que cavalos são aqueles que fazem sombra no mar? Ou o rumorejar da chuva na Galiza em Exortação aos crocodilos.

Os passos dirigem os pensamentos dos moradores, que se sentem incompreendidos mas também são incapazes de compreender os outros. E é justamente pelo seu ruído deturpado que os passos lhes fazem ver com maior clareza a natureza dos outros. E a sua natureza. Mesmo que não o saibam nem tenham disso consciência. É desse tipo de deformação que Bacon e Soutine se servem na sua pintura, nos seus retratos: deturpar, deformar, transfigurar a realidade para chegar mais perto da essência.

Tudo isto não quer dizer que Lobo Antunes seja um autor difícil, pesado, porque os seus livros estão lardeados de humor, de mal-entendidos ora subtis ora hilariantes que, por vezes, se aproximam do slapstick. E não há mais ninguém que consiga criar tipos de pessoas tão credíveis, tão próximas da realidade, e diferenciá-las através da linguagem (outra vez sons!). Os seus romances causam nos leitores, cusam em mim, ao mesmo tempo, um prazer contínuo e um sobressalto. São uma verdadeira riqueza para aqueles que apuram os seus ouvidos para escutar o rumorejar, o rumor dos passos.

(tradução: Ana Carvalho)

 

 

Video

Ambo Anthos

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.