De stad of toch maar niet? Eça de Queiroz

De stad of toch maar niet? Eça de Queiroz

In zijn postuum verschenen roman De stad en de bergen vertelt de grote Portugese schrijver Eça de Queiroz (1845-1900) het verhaal van de steenrijke Portugees Jacinto, die eind achttiende eeuw in Parijs alle technische snufjes van een bruisende technische vooruitgang tot zijn beschikking heeft, maar daar zo blasé van wordt dat hij de streek wil leren kennen waar zijn wortels liggen: het landgoed Tormes, in het noorden van Portugal. De eenvoud raakt hem, hij besluit te blijven, trouwt en is gelukkig. Zijn eveneens Portugese vriend José Fernandes, die hem uit Frankrijk vergezeld heeft, keert vijf jaar later terug naar Champs Elysées nummer 202, het oude paleis van Jacinto, maar ook voor hem is de glans ervan af en ook hij vindt uiteindelijk rust en vrede in de bergen, de serra van Minho. Hier het slot van deze magistrale roman.

Toen de portier van 202, de oude Vian, mij herkende, legde hij een vertederende blijdschap aan de dag. Hij kon er niet genoeg van krijgen te horen vertellen over het huwelijk van Jacinto en die schatten van kinderen. En hij was dolgelukkig dat ik juist nu kwam, nu alles schoongemaakt was vanwege het begin van de lente. Maar toen ik het beminde huis binnenliep, voelde ik mijn eenzaamheid nog sterker. Er was in het hele huis niets meer terug te vinden dat mij zou kunnen herinneren aan de oude kameraadschap met mijn prins. Meteen al in de voorkamer waren de heroïsche wandkleden bedekt met grote zeildoeken en hetzelfde grijze zeildoek verborg de stofferingen van de wanden en meubels, de brede ebbehouten boekenkasten in de bibliotheek, waar de dertigduizend boeken, deftig gerangschikt als kerkgeleerden op een concilie, afgescheiden leken van de wereld door dat doek dat erover was nedergedaald, nadat de komedie van hun kracht en gezag was geëindigd. In Jacinto’s kabinet was de hele santekraam instrumentjes, waarvan ik al lang niet meer wist wat het allemaal was, verdwenen van het ebbehouten bureau, alleen de weelderige mechanica op sokkels en voetstukken glansde afgestoft met haar raderwerken, buizen, wieltjes en stugge metalen platen in een koude doodsheid, in de definitieve levenloosheid van niet meer gebruikte spullen, alsof ze reeds in een museum stonden om als voorbeeld te dienen van het kapotte instrumentarium van een voorbije wereld. Ik probeerde de telefoon, die zich niet roerde; de lichtschakelaar ontstak geen enkele lamp; alle universele krachten hadden hun dienst op 202 opgegeven, als ontslagen dienaren. En terwijl ik zo door de vertrekken dwaalde, had ik echt de indruk dat ik door een museum van oudheden liep en dat later andere mensen, met een zuiverder en exacter begrip van het leven en het geluk, net als ik door lange, met de instrumenten van de overbeschaving volgestouwde kamers zouden lopen, en net als ik vol verachting de schouders zouden ophalen voor de grote illusie waar een einde aan was gekomen en die nu voorgoed nutteloos was opgeborgen als historisch vuilnis dat bewaard wordt onder zeildoek.

(…)

Ik sleepte dagen van een immense weerzin door Parijs. Langs de Boulevard zag ik in de etalages alle luxe terug waar ik vijf jaar eerder mijn buik al van vol had, zonder een nieuwe charme, een flits van frisse fantasie. In de boekhandels bladerde ik zonder iets te vinden in honderden gele boeken, waar van iedere willekeurige bladzijde die ik opsloeg, tussen met verwijfde sier bewerkte regels, als kanten ruches op een hemd een lauwe beddengeur en een geur van gezichtspoeder opwalmde. In welk restaurant ik ook dineerde, steeds trof ik, het vlees of gevogelte sierend en maskerend, dezelfde saus met de kleur en de smaak van zalf aan waar ik ’s middags al in een ander restaurant, met veel spiegels en verguldsel, misselijk van was geworden over de vis en de groente. Ik betaalde grof geld voor flessen van onze droge landwijn uit Tormes, veredeld met de titel Château Dit en Château Dat en vals stof op de hals. ’s Avonds, in de theaters, trof ik het bed aan, het gebruikelijke bed, als middelpunt en enige doel van het leven, dat sterker dan een mestvaalt strontvliegen, een hele zwerm mensen aantrok die volkomen daas rilden van de erotiek en seniele grappen uitzoemden. Die viezigheid van de vlakte bracht mij ertoe betere geestelijke lucht te zoeken op de hoogte van de heuvel in Montmartre – en daar, te midden van een elegante menigte dames, hertoginnen, generaals, heel de beau monde van de stad, kreeg ik vanaf het toneel dikke stralen obsceniteiten over mij heen gespoeld, die de behaarde oren van dikke bankiers deden gloeien van genot en de lijfjes van Worms en Doucet deden zwoegen boven de valse boezems van de deftige dames. En dan keerde ik misselijk van zoveel beddengeur terug, lichtelijk ongesteld door de zalfsauzen van het diner en vooral ontevreden over mezelf, dat ik mij niet amuseerde, de stad met haar superieure beschaving niet begreep en erdoorheen doolde met de bespottelijke reserve van een censor, een strenge Cato. ‘Grote genade!’ dacht ik, ‘zal ik mij dan helemaal niet vermaken in deze verrukkelijke stad?’

Was in mij het verval van de ouderdom begonnen? Ik stak de bruggen over, die in Parijs het wereldse van het geestelijke scheiden, dook onder in mijn geliefde Quartier Latin, riep voor bepaalde cafés de herinnering op aan mijn Nini; en net als vroeger liep ik loom de trap van de Sorbonne op. In een amfitheater, waar ik druk geroezemoes had gehoord, stond een magere man met een uitzonderlijk blank en breed voorhoofd, alsof het uitgesneden was om hoge, zuivere gedachten te herbergen, college te geven over de instellingen van de antieke stad. Maar ik was amper binnen of zijn sierlijke, heldere dictie werd verstikt door kreten, uitroepen, getrappel, een woest tumult van beestachtige spot, afkomstig van de jongelingen die dicht opeengedrongen in de banken zaten, de jeugd van de scholen, de heilige lente waarin ik een verlepte bloem was. De professor hield op, wierp een koude, serene blik in het rond en bladerde in zijn aantekeningen. Toen het hevige gegrom teruggebracht was tot wantrouwig geroezemoes, begon hij opnieuw met verheven sereniteit. Al zijn ideeën waren zakelijk en substantieel, uitgedrukt in een zuivere, krachtige taal, maar onmiddellijk brak er een razende storm los van gefluit, gegil, gekrijs en gekakel, terwijl magere handen zich uitstrekten om de ideeën te wurgen. Naast mij aanschouwde een in de hoge kraag van een geruite macfarlane gehulde oude man, met een van verkoudheid druppende neus, weemoedig het tumult. Ik vroeg hem: ‘Wat willen die? Dat is recalcitrant gedrag jegens de professor… Politiek?’

De oude man schudde niezend zijn hoofd: ‘Nee… Zo gaat het tegenwoordig altijd, bij alle colleges… Ze willen geen ideeën… Ik geloof dat ze liedjes willen, schunnigheden. Gewoon spotzucht.’

Toen brulde ik verontwaardigd: ‘Stilte, vlegels!’

En daar staat me dan een gelig, smerig klein misbaksel met lange manen en een enorme, glinsterende bril op, staart me aan en schreeuwt: ‘Vuile Moor!’

Ik hief mijn vreselijke boerenvuist op en wanhopig kermend stortte de ellendeling als een hoopje slappe vodden neer in een wirwar van haren, met bloed over zijn hele gezicht, terwijl de orkaan van kreten en gekakel en gekrijs en gefluit de professor omhulde, die zijn armen over elkaar had geslagen en doodgemoedereerd stond te wachten.

Op dat moment besloot ik de walgelijke stad te verlaten, en de enige vrolijke, vermakelijke dag die ik er doorbracht was de allerlaatste, toen ik voor mijn kleine schatjes in Tormes een grote stapel speelgoed kocht, allemaal vreselijk ingewikkeld, stoombootjes van staal en koper, uitgerust met ketels om te varen op een vijver; leeuwtjes met echt vel die angstaanjagend konden brullen; door Laferrière geklede poppen met een fonograaf in hun buik…

En ten slotte vertrok ik op een middag, na vanuit mijn raam boven de Boulevard de stad een definitief vaarwel te hebben toegezwaaid: ‘Adieu dus en tot nooit meer ziens! Nooit meer vang jij me in het slijk van je ondeugd en het stof van je ijdelheid. En wat je aan goeds te bieden hebt, wat sierlijk geniaal aan je is, krijg ik ginds in de serra wel per post!’

En op een zondagmiddag zag ik eindelijk, hangend uit het raampje van de trein, die langzaam langs de oever van de trage rivier gleed in een geheel uit blauw en zon bestaande stilte, op het perron van het rustige station de heren van Tormes, met mijn blozende petekind Teresa, die haar superbe oogjes wijd opensperde, en het kranige ventje Jacintinho, dat een wit vlaggetje in zijn knuistje geklemd hield. De dolblije vreugde waarmee ik die teerbeminde familie omhelsde en zoende, zou volmaakt passen bij iemand die levend terugkeert uit een verre oorlog in het land van de Tartaren. In mijn blijdschap terug te zijn in de serra, gaf ik zelfs Pimenta een dikke zoen, die zich uit elkaar knallend van dikte schreeuwend tegen de kruier bekommerde om mijn koffers.

Jacinto, die er magnifiek uitzag met zijn grote boerenhoed, zijn jasje en hoge slobkousen, omhelsde mij opnieuw: ‘En, hoe was het in Parijs?’

‘Afschuwelijk!’

Opnieuw spreidde ik mijn armen voor het kleine baasje Jacintinho.

‘Waar is dat vlaggetje voor, mijn ridder?’

‘Van het kasteel!’ zei hij met een mooie ernst in zijn grote ogen.

Zijn moeder lachte. ’s Morgens vroeg al, meteen toen hij had gehoord van de komst van oom Zé, had hij het door Krekel gemaakte vlaggetje gepakt en hij had het sindsdien niet meer losgelaten, had ermee gegeten, was ermee omlaaggereden van Tormes!

‘Bravo! En o, nicht Joaninha, wat zie je er stralend uit! Nu kom ik wel van die bleke huidkleuren van Parijs… maar ik vind je werkelijk schitterend! En oom Adrião, en tante Vicência?’

‘Alles opperbest!’ riep Jacinto. ‘De serra gedijt God zij geloofd goed. En nu, op naar boven! Jij blijft vandaag in Tormes. Om te vertellen over de beschaving.’

Op de patio onder de vijgenboom, die ik met genoegen terugzag, stonden de drie paarden te wachten en twee mooie witte ezels, eentje met een stoeltje voor Teresa, de ander met een rieten mand, om er de heldhaftige Jacintinho in te zetten, beide aan de teugel geleid door twee knechten. En ik had net Joaninha in het zadel geholpen, toen de kruier kwam opdagen met een pak kranten en papieren die ik in de wagon had laten liggen. Het was een stapel papier waarvan ik me had voorzien in het station van Orléans, geheel gevuld met blote vrouwen, vunzige verhaaltjes, parisianisme, erotiek. Jacinto, die ze had herkend, riep lachend: ‘Gooi die troep weg!’

En ik gooide die rotzooi van de lichtzinnige beschaving op een hoop vuilnis in de hoek van de patio en klom op mijn paard. Maar vlak voor het inslaan van de steile weg door de serra draaide ik me nog een keer om, om vaarwel te roepen tegen Pimenta, want dat was ik vergeten. De waardige chef stond voorovergebogen over de vuilnisbelt en raapte vol liefde de prenten weer op, sloeg het vuil eraf en stopte ze weg, die mooie prenten uit Parijs die over de verrukkelijkheden van Parijs vertelden, de verleidelijkheid van Parijs over de wereld uitstortten.

In een rij begonnen we de serra te beklimmen. De vroege avond verzachtte haar zomerse schittering. Een licht briesje droeg als een geschenk de geuren van wilde bloemen aan. De takken bewogen hun fel glanzende bladeren alsof ze wuifden in een zoet onthaal. De vogels zongen een jubellied van blijdschap en lof. Het stromende, kabbelende, glinsterende water straalde een nog levendiger glans uit in een nog geanimeerdere haast. Verre ramen van vriendelijke huisjes vlamden met een gloed van goud. De hele serra bood zich aan in haar eeuwige, waarachtige schoonheid. En aan het hoofd van onze rij wapperde steeds tussen het groen het witte vlaggetje, dat Jacintinho in zijn mand niet losliet, met de stok stevig in zijn hand geklemd. Het was de vlag van het kasteel, beweerde hij heel ernstig. En inderdaad leek het mij dat wij over die wegen, door de landelijke, lieflijke natuur – mijn prins, gebruind door de zonnestralen en de wind van de serra, mijn nicht Joaninha, een zo lieftallige en goedlachse moeder, de twee eerste vertegenwoordigers van haar gezegende schoot en ik –, zo ver van verbitterde illusies en valse verrukkingen, voortstappend over eeuwige en eeuwig stevig blijvende grond, met een tevreden ziel en God tevreden over ons, dat wij sereen en veilig omhoogreden – naar het kasteel van het Grootgeluk!

Vertaling Harrie Lemmens

Foto Ana Carvalho