Hiëronymus en Vieira, over predikers en vertalers

In 2001 bezorgde ik voor de reeks privé-domein van De Arbeiderspers een reeks teksten van de zeventiende-eeuwse Portugese jezuïet António Vieira, die vaak overhoop lag met wat toen Holland was, de Republiek. Vlak voor verschijning van het boek trakteerde ik een paar vrienden op een etentje thuis in Dilbeek, waarbij ik het pièce de résistance voorlas, de ‘Preek voor het welslagen van de Portugese wapenen tegen die van Holland’. Een van die vrienden was Frits Smulders, groot Vieira-kenner, die voor zijn promotie bij die andere grote Nederlandse kenner van het werk van de jezuïet, J. van den Besselaar, een geannoteerde uitgave van de preek had gemaakt. Hij was diep onder de indruk en zou een recensie schrijven voor Trouw. Helaas was die wat ongelukkig geformuleerd, zodat het boek voor de lezer eerder een af- dan een aanrader was. Aanleiding voor mij om in de huid van Padre António Vieira te kruipen en Frits tijdens een feestelijk samenzijn met vrienden in een Portugees restaurant in Brussel een barokke draai om de oren te geven door een preek voor te dragen waarin de ‘keizer van de Portugese taal’ het opneemt voor uw arme dienaar. Behalve aan Smulders wordt hier gerefereerd aan de heilige Hiëronymus, schutsheilige van de vertalers, Kees Fens, Martin Ros, Ger Groot en Charo Crego. En tot slot: ik heb als goede katholiek vier Latijnse voornamen: Henricus, Joannes, Jacobus en Gerardus.  Foto’s Ana Carvalho.

 

 

PADRE ANTÓNIO VIEIRA

 

PREEK GEHOUDEN TER GELEGENHEID VAN DE NAAMDAG VAN DE HEILIGE HIËRONYMUS, OP 30 SEPTEMBER, IN HET KLOOSTER VAN DEZELVE HEILIGE KERKLERAAR TE LISSABON

 

                                                                 In tenebris: ut quid Domine

                                                                 avertis faciem tuam a me

                                                                (Psalm 88;15)

I

 

Groot, senhores hier bijeen in dit stralende bedehuis, is de toorn Gods indien Zijn volk dwaalt. Zijn gramschap treft het hard en laat het bittere tranen wenen. Talloos zijn de voorbeelden in de oude en de nieuwe geschiedenis, van ballingschap van het uitverkoren volk in het land van de Nijl tot bezetting van onze uitverkoren stad Salvador door de wilde horden uit het land rond de Rijn. Van Portugals vluchten voor vuige ketterse aanvallen tot Israëls zuchten onder de knoet der Filistijnen, als straf voor tanend geloof en zich ongenaakbaar wanende hoogmoed. Slaan wij het boek Genesis open, dan lezen we in hoofdstuk 11 hoe hoog ’s mensen trots kan stijgen en hoe Gods hand zijn vlucht beknot. Erat autem terra labii unius, zo staat er, alle mensen op aarde spraken éénzelfde taal. Allen waren broeders en verstonden elkander. Totdat overmoed hun hart beving en zij zeiden: ‘Laten wij een stad bouwen met een toren waarvan de spits tot in de hemel reikt, dan krijgen wij naam en worden wij niet over de aardbodem verspreid.’ En zij kneedden klei tot tegels, hardden deze in het vuur en begonnen te bouwen. Toen Jahwe dit aanschouwde, sprak Hij vertoornd tot zichzelf: ‘Nu zijn ze één volk en spreken zij allen dezelfde taal. Wat zij nu doen is nog maar een begin. Laten Wij neerdalen en verwarring brengen in hun taal, zodat de een niet meer verstaat wat de ander zegt.’ En Hij dreef hen vandaar naar alle kanten de hele aardbodem over.

Even streng als God onze Heer kastijdt, geeft Hij echter telkenmale blijk van Zijn mededogen en lankmoedigheid. Zo ook hier. In deze helse spraakverwarring verleende hij sommige begenadigden de gave der meertaligheid, zodat zij als brug konden dienen tussen de verschillende volkeren. En de grootste onder hen is wel de heilige in wiens nabijheid wij thans verkeren, patroon van alle traductoren, de heilige Hiëronymus. Over hem en de kwellingen die onverdiend een van zijn beschermelingen hebben getroffen, wil ik het vandaag met u hebben, echter niet dan na eerst de steun te hebben ingeroepen van de Mystieke Roos, Moeder van Zeven Smarten en Altijddurende Bijstand, de Allerheiligste Maagd, tot wie wij bidden Ave Maria

 

II

 

Heer, vijf lange en zware jaren kostte het Uw toegewijde dienaar, de exegeet en kerkleraar, erudiet en polyglot, reiziger en verkondiger van het evangelie Hiëronymus, om de waarheid van Uw woord, het boek der boeken, de heilige Schrift, om te zetten in het Latijn. Hij trad daarmee in de voetsporen van Uw Zoons volgelingen, op wie de Heilige Geest vurige tongen liet nederdalen, waarna zij naar buiten gingen en ‘begonnen in vreemde talen te spreken’, zoals geschreven staat in Handelingen 2;4, en hij werd, zoals gezegd, de beschermheilige der vertalers.

Eveneens vijf lange en zware jaren, Heer, kostte het Uw nederige en bescheiden maar niet minder toegewijde dienaar Henricus Joannes Jacobus Gerardus om míjn woorden, míjn eerbetuigingen aan Uw almacht, grootheid en rechtschapenheid, om te zetten van de Latijnse taal onzer dagen, het Portugees, in het idioom waarin zoveel ketterij reeds werd verkondigd, het Nederlands. Zoals Ge weet, is het echter nimmer de taal zelf die blaam treft voor boze betogen en blasfemie, doch enkel de mond die zich opent om de influisteringen van de duivel in het gelaat te slingeren van de onschuldigen dezer wereld, en Uw zoon Henricus, als geloofsgetrouw boorling uit het zuiden van de drooggelegde zee, is het levende bewijs van die stelling, door de taal der ketters te gebruiken voor hogere en eerbare doelstellingen. Zoals hij gedurende negen lange jaren iedere ochtend, hagel, ijzel, sneeuw, regen, stormwind en verzengende zonnehitte trotserend ter kerke toog om de heilige eucharistieviering bij te wonen of eraan deel te nemen als misdienaar; zoals hij, het lopen nauwelijks machtig, de windels amper ontgroeid, het zware missaal, op het gevaar af over de treden voor het hoogaltaar te struikelen, van de epistel- naar de evangeliekant torste; zoals hij de ampullen met water en wijn voor de consecratie aandroeg en aan het wierookvat de geur te Uwer eer ontrukte; zoals hij in het zwart gehuld de overledenen ten grave hielp dragen en in het blijde rood de eerwaarde pastoor op zijn tocht door het dorp vergezelde ten einde de velden te zegenen; zoals hij met diezelfde priester de zieken bijstond en hun het lichaam en het bloed van Uw zoon bracht; zoals hij, geronseld door een drager van de naam van mijn grote voorganger Franciscus Xaverius – over hem, o Heer, kom ik later nog te spreken – drie jaar de orde van de Salvatorianen hielp voortbestaan door hun lessen te volgen; zo werkte, wrochtte en schaafde hij onverdroten aan de als wierook geurende woorden om U te eren en te dienen en de Hollandse ketters te striemen met de gesel van de waarheid.

En ziet, menige stem klonk op die zijn werk bejubelde en zijn vaardigheid loofde. Cornelius Fens bijvoorbeeld, opgegroeid als katholiek in het bastion van Calvijns en Luthers dwaalleer, de stad waar de ware eredienst zo lange tijd uitsluitend op donkere zolders kon worden gehouden, waar in het licht van de dag van Uw almacht getuigen verboden was en enkel een stil en nachtelijk omgaan werd gedoogd, Cornelius Fens, die zich diep onder de indruk toonde van mijn taal en mijn stijl, en, let wel, o Heer, laat daarover geen misverstanden bestaan, wat ik hier stel komt niet uit ijdelheid voort, is niet de zonde van zelfophemeling, neen, ik zeg dit alles, zoals ik ook ál mijn woorden heb geschreven, enkel en alleen propter nomen tuum, omwille van Uw naam. Even juichend zong uw andere dienaar, telg uit een kroostrijk en godvruchtig Rooms gezin, Martinus Ros, die met zijn vox orgasmatica mijn werk naar waarde schatte en dus Uw naam en heiligheid prees.

Wat is dan uw klacht, hoor ik U vragen, want, zoals Job retorisch vroeg aan Elifaz, ‘balkt de ezel in een malse wei, loeit de os boven een gevulde trog?’ Neen, Heer, de klacht rees pas op toen Gij het gras verschroeide en de voerbak leegde, want, zo vraag ík Ú, ut quid Domine avertis faciem tuam a me, waarom keert Gij Uw aanschijn van mij af, waarom hebt Ge toegelaten dat de gesel van de leugen in de hand van de ketter neerkwam op Uw zoon Henricus? ‘Waarom,’ verzucht dezelve Job, ‘behandelt Ge mij als Uw vijand?’ Wat heeft Uw dienaar Henricus verkeerd gedaan dat hij machteloos moet toezien hoe zijn naam door het slijk van de natte hel wordt gehaald? Machteloos, jawel, machteloos, want het kwaad geschiedt geheel buiten hem om. Henricus, Romeins centurion, berooft Gij van de scherpte van zijn gladius en de stootkracht van zijn arm. Joannes, apostel en evangelist, adelaar van Patmos, die in de Geschiedenis van de Toekomst de Marlon Brando van het Testament zal worden genoemd, maakt Ge de klauwen stomp en kort Ge de vlerken. Jacobus, even trouw apostel, mensenvisser en missionaris, bezorgt Ge afgrijselijke blaren aan de voeten zodat hij, ofschoon gedreven door bekeringsdrang, geen mijl meer verder lopen kan. En Gerardus ten slotte, kleermakersoon uit Majella, laat Ge niet langer op twee plaatsen tegelijk de zieken en nooddruftigen bijstaan. Cur vexare filium et servum tuum? Waarom Uw zoon en dienaar kwellen? Waarom, Heer, waarom?

III

 

En bij dat alles gebruikt Ge als Uw instrument – of laat Ge, geef dat het niet waar is, door de leider der gevallen engelen als instrument gebruiken – hem die ooit eveneens Uw trouwe en toegewijde dienaar was, Godefridus Xaverius. Jazeker, Xaverius, en met recht droeg hij die naam, want eens was hij een gouden volgeling van de grote jezuïet, eens weerde hij zich moedig tegen de Zeeuwse vijand in het door ketters bezette Middelburg, eens diende hij U door mijn woorden te verspreiden in de taal waarin ik ze heb vervat, ze uit te leggen en van commentaar te voorzien. Ooit stond hij mijn even trouwe adept Josefus Besselaris terzijde bij hetzelfde streven. Helaas echter, helaas hield Eva hem haar appel voor en verliet hij voor het genot van haar schoot de schoot van de Heilige Moederkerk. Hij, o Heer, mijn tong beeft als ik het zeg, koos het kamp van de Hollandse ketter, hij verzaakte het ware geloof en leeft sindsdien in zonde. (Zo ook, ik zeg dit hier terzijde, opdat Ge haar redt vooraleer het te laat is, loopt Uw dochter Maxima groot gevaar om, gelokt door de aardse hellevorst, die zijn oranje tentakels begerig naar haar uitstrekt, tot ketterij te vervallen of, erger nog welhaast, te zwichten voor het caro nec piscis van de oecumene.)

Met het ezelskakebeen in de hand schaarde hij, Godefridus Xaverius, zich bij de Filistijnen en deelde hij Uw zoon met het wapen dat tegen de Filistijnen bedoeld was, harde slagen toe ten gunste van dezelve goddelozen. Niet echter na – o, hoe snood is ’s mensen geest! – eerst gul en scheutig te zijn geweest met lof. Waarom toch, Heer, eerst die lofprijzingen? Was het zand in de ogen strooien? Was het vileine Filistijnse list? Reculer wellicht, pour mieux sauter? Om harder toe te slaan? In dat geval, o Heer, ontneem zijn tong de gave van het woord, laat zijn in gif gedrenkte pijlen alvorens de Filistijnse boog te verlaten Viagra-behoeftig worden, ruk de bulderende schaterlach van zijn gelaat en gun hem voortaan slechts de grijns van een agricola cum dolore dentorum.

Of kwam – o, heel mijn hart hoopt dat het waar is – de geseling na de loftrompet gans onschuldig uit onwetendheid, gebrekkig inzicht, tekort aan ervaring voort? Of was het, anders nog, en bij die gedachte huiver ik, Uw hand die Zeeuwse hand hier heeft geleid? Vondt Gij dat Uw dienaar Henricus had gefaald in levenshouding of moraal en had hij straf van node die Gij hem zo hebt toegediend? Maar waar heeft hij dan gefaald, o Heer, wat deed hij fout? Koortsachtig zoeken en speuren wij in het verre en nabije verleden naar een stonde van zwakte, een val voor Satans bekoring, een buigen voor de zonde. Wij vorsen en piekeren en peinzen, doch wij vinden niets, we dwalen blind in tenebris. Wanhoop bekruipt ons en toch: tegenover Uw almacht en wijsheid rest ons niets dan nederig het hoofd te buigen en gelaten te aanvaarden dat Ge Uw ex-zoon Godefridus hebt gebruikt – ook hij als ieder schepsel louter was in Uwe handen – om Uw immer trouwe zoon Henricus te treffen.

 

IV

 

Wij buigen ootmoedig het hoofd, doch terzelfder tijd smeken wij U: laat het hierbij, almachtige God. Straf Uw zoon niet méér, zie toe dat de hand van een andere trouwe zoon van U geen smaad en laster afscheidt. Gebruik zijn pen niet om Henricus andermaal te raken. Ik doel, o Heer, op Gerardus Grotius, ook hij opgegroeid in de hellehoofstad, alwaar hij dapper standhield tegen de ketterse stormrammen die beukten op de poort van zijn geloof; hij die de schoot van het matrimonium zocht in de schoot van de Moederkerk, bij een dochter van Uw Reges Catholici, vernoemd naar de rozenkrans van de Moeder Gods. Richt, zo bid en smeek ik U, zijn gedachten naar de verdiende lof, leid zijn pen en zie toe dat wij zeggen kunnen: het was een waarschuwing slechts, een exhortatie om immer en altijd alert te blijven en niet te vervallen in de zonde der hovaardigheid. Indien het zo is, Heer, zijn wij gerustgesteld en loven en prijzen wij U, Amen.